Scene uit The X Files

Kunst op tv, afl. 1: Joan Miró bij The X-Files

Waarom worden kunstwerken gebruikt in televisieseries? In deze serie blogs diep ik iedere aflevering een scene uit. Deze keer: wat doen die schilderijen van Joan Miró bij The X-Files?

The X-Files, seizoen 3, aflevering 21

 


Duizenden likes en favourites liegen er niet om. Op 24 januari 2016 komt een nieuw seizoen van The X-Files uit, dertien jaar na de laatste aflevering werd uitgezonden. En dat wordt gevierd. Ook door mij, dus ik kijk een oude aflevering uit seizoen 3 (1996) terug. Er komt niet veel beeldende kunst voor in The X-Files, dus des te opvallender dat ik werken van Miró herken in de aflevering Avatar. Wat doen die daar?

Dit is de trailer van de aflevering die ik keek:

Even opfrissen. Waar ging die cultserie uit de jaren negentig ook alweer over? Fox Mulder en Dana Scully werken voor de FBI en lossen zaken op die een paranormaal tintje hebben. Dat kunnen de reguliere grootogige aliens zijn, maar ook de resultaten van genetische experimenten, dodelijke bijen, heksen, waarzeggers, you name it. Dat klinkt als heftige science fiction, maar dat valt wel mee. De nuchtere Scully, met haar medische achtergrond, verwerpt de meest uitzinnige theorieën. De feitelijke boosdoener is bovendien vaak de overheid of het leger. Maar bovenal: het is af en toe erg grappig. En soms een beetje flauw, zoals in de aflevering die ik kijk; Scully concludeert in een rijk uitgedost bordeel: “Business must be booming.”. Waarop Mulder antwoordt: “I think you mean banging”.

Joan Miro bij The X Files
Klik op de afbeelding om het gifje te zien!

In dit bordeel hangen de schilderijen van Miró. Als het echte schilderijen waren, dan moeten het inderdaad flink prijzige escortdames zijn geweest om werken van Miró te kunnen veroorloven. In februari dit jaar veilde Christie’s nog Painting (Women, Moon, Birds) voor 20,5 miljoen euro. Scully en Mulder zijn in dit luxe appartement om de hoerenmadam te ondervragen over haar prostituees en hun klanten. Mulders leidinggevende, Walter Skinner, trof namelijk die ochtend een overleden prostituee aan in zijn bed. Dat verbaast hem ook. Heeft hij haar soms vermoord in zijn slaap? En daar, met die droom, is de eerste link met Miró.

Surrealisme en dromen
Deze Catalaanse schilder wordt gerekend tot het surrealisme en de kunstenaars van deze stroming lieten zich vaak inspireren door het onderbewuste en door dromen. Ze zochten de realiteit die achter het laagje beschaving vastzat. Als het onderbewuste op die manier bevrijd was, zou dat ook een nieuwe blik op de werkelijkheid mogelijk maken. Om dat onderbewuste te bereiken, zochten de surrealisten manieren om het rationele denkpatroon af te schudden,  door bijvoorbeeld spontaan neer te schrijven of te schilderen zonder erbij na te denken.[1] André Breton, de leider van de surrealisten, zag dit zogenoemde automatisme in Miró’s abstracte tekens, persoonlijke symbolen, en vreemde combinaties van objecten en vormen. Droomkunst in het bordeel, best logisch. Maar waarom Miró, en niet iets van andere surrealisten als Breton of Salvador Dalí?

Laten we even kijken naar de werken. Het eerste schilderij hangt bij de ingang en heet La Leçon de Ski (1966). Maar het tweede schilderij, is in deze context interessanter en daar wil ik het over hebben.

Joan Miró bij The X-Files
Klik op de afbeelding om het gifje te zien!

Het hangt bovenaan de trap, en komt in beeld als Mulder de hoerenmadam vertelt dat een van haar prostituees dood is. Het schilderij heet Personnages Rythmiques (1934). Je kunt er op heel veel websites posters van kopen. Het schilderij dat te zien is in The X-Files is aanzienlijk kleiner dan het origineel dat 193 bij 171 centimeter meet en te vinden is in de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen in Düsseldorf. In de catalogus van de tentoonstelling Miró: Malerei als Poesie worden de kunstwerken die Miró in de jaren dertig maakte nocturnes genoemd (met een mooier Duits woord: Nachtgedanken).[2] Het zijn donkere en sombere schilderijen ingegeven door het opkomende fascisme in zijn geboorteland. Zwarte, gele, rode en witte vormen bevinden zich in een desolate ruimte waarin geen onderscheid lijkt te zijn tussen hemel en aarde. Ze zweven in het niets. Het schilderij is niet volledig abstract, er zijn wel figuren in te herkennen. Rechtsboven een maan. Rechtsonder een borst. In het midden een insectachtige figuur met wit onderlijf? Het vreemde monster zou niet misstaan in de Amerikaanse scifi-serie.

Succubus
In de aflevering wordt ook melding gemaakt van een duivel, hoewel die niet vergelijkbaar is met het insectenmonster van Miró. Fox Mulder ontdekt dat zijn baas regelmatig droomt dat een vrouw hem wurgt. Mulder vermoedt dat het een succubus is, een vrouwelijke demon die ’s nachts mannen bezoekt. De mannelijke versie van deze demon heet een incubus. Zo’n wezen is te zien in het schilderij The Nightmare (1781) van Johann Heinrich Füssli (daarover later meer in een ander blog, want dit werk komt ook in een andere serie voor). Met dit schilderij is Füssli een voorloper van de surrealisten met hun interesse voor dromen en psychoanalyse. Een eng wezen zit op een slapende vrouw. Het is een donker werk, met een hint naar seksualiteit. Dit werk had dus ook kunnen voorkomen in deze aflevering van The X-Files over de vermoorde prostituee, hoewel de verwijzing er dan wel erg dik bovenop ligt.

Nee, dan past een Miró best goed. Het is realistischer dat dit redelijk abstracte werk gekozen is. Een heel letterlijke verbeelding van een nachtmerrie zou een hoerenmadam natuurlijk niet ophangen. Een Miró is herkenbaar, bekend en duur; een goede keus als je zakelijk succes wil uitdragen. Het heeft iets dromerigs, dus is er ook een inhoudelijke link. En omdat de makers van de serie hebben gekozen voor een somber en duister werk van Miró past het qua sfeer ook nog eens goed bij deze specifieke X File.

Meer weten over Miró?

Verwijzigingen

[1] Norbert Lyndon, The Story of Modern Art, Phaidon 1980, 1989, pp. 170-178

[2] Marion Ackermann, Jolande Bozzetti, Nicole Hartje-Grave, Miró. Malerei als Poesie, Hirmer Verlag Gmbh, 2014, pp. 94-97.